Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 3 juli 2018

Wat betekent de omgevingswet voor burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties?

Bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en vele anderen zijn betrokken bij de eigen leefomgeving en willen invloed op de inrichting daarvan. Overheden moeten dus anders gaan werken dan voorheen. De nieuwe Omgevingswet past daarbij en zet in feite een transitie in werking in het fysieke domein. Ik beschrijf hoe wij daarmee in Hoorn ervaring hebben opgedaan.

De samenleving vraagt steeds nadrukkelijker om betrokken te worden bij de eigen leefomgeving. Daarnaast is er een grote behoefte aan minder regels, meer duidelijkheid en meer integraliteit. De nieuwe Omgevingswet maakt dat in theorie mogelijk. De intentie van de wet is goed, zij gaat uit van vertrouwen. Ik ben zeer benieuwd hoe dit in de praktijk zal gaan uitpakken. Juist omdat de verschillende overheden gewend zijn om alle mogelijke risico’s vooraf te benoemen en uit te sluiten. De Omgevingswet is dan ook meer dan een wetswijziging of een stelselherziening. Eigenlijk is er sprake van een transitie in het fysieke domein. Een wet die aansluit bij een nieuwe manier van denken en werken.

Net als bij de transitie in het sociaal domein heeft dat een enorme impact op vele betrokken partijen. De nieuwe wet biedt veel kansen maar kent ook bedreigingen. Mijn verwachting is dat de noodzakelijke cultuurveranderingen de grootste uitdaging zal zijn. In de eerste plaats bij de professionals die hun eigen expertise in dienst moeten stellen van een integraal proces. Die zullen moeten leren samen te werken en te denken om initiatieven van anderen mogelijk te maken in plaats van aanvragen toetsen aan bestaand beleid. Dat betekent ook vertrouwen hebben in collega’s, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Maar dat betekent ook dat de samenleving zal moeten wennen aan deze nieuwe werkwijze. Laten we daarbij ook de veranderende rol van de gemeenteraden niet vergeten. Zij zullen nog meer dan ze al deden vooral de ambitie moeten aangeven, kaders moeten stellen en vertrouwen geven aan het college en de ambtelijke organisatie wanneer het gaat om de uitvoering. Dat lijkt een eenvoudige stap maar dat is het in veel gemeenten beslist niet. ‘Vertrouwen komt te voet en gaat te paard’ is een bekende uitspraak. Die is zeker van toepassing op deze transitie.

Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties kunnen zelf initiatiefnemer zijn van een nieuwe ontwikkeling. In onze gemeente kennen we het Hoorns Initiatieven Platform (HIP). Een multidisciplinair team dat initiatieven binnen 14 dagen beoordeelt op haalbaarheid en wenselijkheid. Initiatiefnemers weten hierdoor snel waar ze aan toe zijn. ‘Nee’ is ook een antwoord, maar de insteek van het HIP is geheel in de geest van de nieuwe wet: kijken hoe initiatieven mogelijk gemaakt kunnen worden.

In de nieuwe wet ligt veel nadruk op het organiseren van een goed en tijdig participatietraject. Dit is mede te danken aan de inbreng van de D66-Tweede Kamerfractie bij het opstellen van de wettekst. Het idee hierachter is dat wanneer dit goed wordt doorlopen er tijdens de daadwerkelijke vergunningverlening niet of nauwelijks zienswijzen worden ingediend of beroep wordt ingesteld. Maar belangrijker nog, dat alle belanghebbenden in een vroegtijdig stadium worden gewezen op potentiële ontwikkelingen en worden gevraagd om daarover mee te denken. Lastig is op dit moment dat niet precies wordt aangegeven wat wordt verstaan onder een goed en tijdig participatietraject. Zelf heb ik inmiddels een aantal positieve ervaringen met deze werkwijze, maar het komt helaas ook vaak voor dat bezwaarmakers die niet of niet geheel in het gelijk worden gesteld achteraf het participatie- of inspraakproces ter discussie stellen. Met name gemeenteraadsleden zijn gevoelig voor deze signalen. Het wordt dus zaak om het gevoerde proces goed vast te leggen. Of zoals de professionals het noemen: Raad van State-proof te maken.

Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties kunnen natuurlijk ook belanghebbende zijn. Voor al deze partijen geldt dat men net zo goed zal moeten wennen aan deze nieuwe manier van inspraak. Zelf noem ik dat ‘beginspraak’. In de gemeente Hoorn werken wij al enige tijd in de geest van de nieuwe Omgevingswet en organiseren wij dus ruim voor de officiële start van de procedure inloopavonden waarbij steevast meerdere bezoekers argwanend vragen naar de plannen en besluiten. Ons antwoord is dan steevast dat er nog geen plannen zijn en dat we juist in dit vroege stadium oprecht nieuwsgierig zijn naar de kaders en randvoorwaarden die belanghebbenden de plannenmakers willen meegeven. Vrijwel altijd zijn er personen die dit niet vertrouwen en openlijk uitspreken dat zij vermoeden dat de gemeente en de initiatiefnemer onder een hoedje spelen met een dubbele agenda. Er valt dus nog veel aan vertrouwen te winnen.

Ondernemers, vaak projectontwikkelaars, moeten ook nog wennen aan deze nieuwe werkwijze. Voor hun gevoel duurt het langer en wordt de kans op bezwaren groter. De meeste projectontwikkelaars zijn echter wel in staat om deze slag te maken. Omwonenden kunnen zich de eventuele nieuwe ontwikkeling vaak moeilijk voorstellen en zien een verandering in hun leefomgeving meestal als een bedreiging. Mijn ervaring is dat goede tekeningen met verschillende scenario’s en inzet van moderne technieken bezoekers aan inloop- en informatiebijeenkomsten snel een duidelijk en herkenbaar beeld geeft. Wanneer hier de nodige zorg aan wordt besteed, worden vaak veel onterechte veronderstellingen weggenomen. Bij moderne technieken denk ik niet alleen aan driedimensionale uitwerkingen van de nieuwe ontwikkeling, bijvoorbeeld vanuit de achtertuin of slaapkamer van een inwoner bezien, maar ook door gebruik te maken van een virtual reality-bril waarbij een omwonende daadwerkelijk vanaf zijn eigen balkon de nieuwe bebouwing kan ervaren. Heel handig bij discussies over hoogtes, afstand, schaduwwerking en privacy bijvoorbeeld.

Waar veel ondernemers wel een steeds grotere hekel aan beginnen te krijgen is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’. Ik snap heel goed de bedoeling van dit instrument. Maar we moeten ons ook realiseren dat deze is ontstaan in tijden van crisis. Toen was het heel belangrijk om te voorkomen dat er gebouwd zou worden voor leegstand. Wanneer ik nu terugkijk op de afgelopen periode zullen veel gemeenten zich vertwijfeld afvragen waarom zij juist tijdens de crisis niet wat meer woningen hebben laten bouwen. De meeste ladderonderbouwingen die ik tot nu toe heb gezien waren erg behoudend en pessimistisch. In bijna alle gevallen bleek de vraag in de praktijk veel groter dan het onderzoek had voorspeld. Ik moet dan altijd denken aan Steve Jobs (Apple) die zijn marketingafdeling verbood om marktonderzoek te doen naar de behoefte aan iPods en iPhones omdat de mensen toch nog niet wisten dat ze er een zouden willen hebben. We weten inmiddels allemaal hoe dat verhaal is geëindigd.

Maatschappelijke organisaties krijgen naar mijn idee wel de mogelijkheid om meer invloed uit te oefenen bij de nieuwe Omgevingswet. Niet zo zeer bij individuele initiatieven, maar zeker bij de vaststelling van de omgevingsplannen. Het milieu en de leefomgeving worden daarbij tenslotte belangrijke aandachtspunten. Persoonlijk zie ik dat eerder als een bedreiging dan als een kans. Positief ben ik echter over de mogelijkheid voor de gemeente om de huidige normen niet alleen nog verder te verscherpen maar ook te versoepelen. Hiermee komen talloze nieuwe ontwikkelmogelijkheden in beeld. Woningen aan de rand van een bedrijventerrein bijvoorbeeld. Of wandel- en fietspaden door de natuur in plaats van er omheen.

Over één groep inwoners maak ik mij zorgen: de zwijgende meerderheid. Het is nu ook al zo dat een handvol tegenstanders veel aandacht kan genereren en de politieke besluitvorming gemakkelijk kan beïnvloeden. Voorstanders, waarvan er vaak veel meer zijn, hoor je meestal niet. Die hebben immers een ander belang en lijken minder geïnteresseerd. Voor een goed participatietraject is het echter wel wenselijk om ook deze belanghebbenden te betrekken. Hiervoor zijn gelukkig steeds meer goede en succesvolle voorbeelden voorhanden. Het lijkt mij verstandig wanneer gemeenten die met elkaar gaan delen om van elkaars successen te leren.

Het is jammer dat het ministerie zo expliciet een overgangsperiode van 10 jaar benoemt vanaf de datum van invoering (1 januari 2021). Natuurlijk is het goed dat je als gemeente voor sommige onderdelen nog wat extra tijd gegund krijgt, deels ook voor de technische implementatie. Denk hierbij aan nieuwe ICT-koppelingen, het digitaliseren van de huidige bestemmingsplannen en de (verplichte) online ontsluiting daarvan. Maar het zou echt heel onverstandig zijn wanneer gemeenten deze overgangsperiode gebruiken als excuus om minder vaart te maken met de invoering van de nieuwe wet.

Bron: Juli-nummer tijdschrift IDEE van de Hans van Mierlo stichting